Lipoproteïne(a): een klein deeltje met een grote impact

Lipoproteïne(a) is een erfelijke, onafhankelijke risicofactor voor atherosclerotische hart- en vaatziekten. Eén meting kan verborgen erfelijke belasting aan het licht brengen, de risico-inschatting aanscherpen en aanzetten tot gerichte preventie. In deze nieuwsbrief leest u waarom Lp(a) een “once in a lifetime”-test is die een groot verschil kan maken in de eerste lijn.
Wat is Lipoproteïne(a)?
Lipoproteïne(a), of Lp(a), is een lipoproteïne-partikel dat bestaat uit een LDL-gelijkend deeltje verbonden met apolipoproteïne(a) (apo(a)). Deze laatste is via een disulfidebrug verbonden aan apolipoproteïne B-100 (apoB). De concentratie van Lp(a) in het bloed is voor meer dan 90% genetisch bepaald, voornamelijk door variaties in het LPA-gen. Dit gen bevat een variabel aantal kringle IV-type 2 herhalingen, wat leidt tot grote interindividuele variatie in de grootte van apo(a).

Ref 4: Roche Diagnostics (2025).
De Lp(a)-waarde van een individu is stabiel vanaf de kindertijd, bereikt volwassen waarden tegen de leeftijd van 5 jaar, en verandert nauwelijks doorheen het leven, tenzij bij ernstige nier- of leveraandoeningen en menopauze. Niet-genetische invloeden — zoals dieet, lichaamsbeweging of roken — hebben hoogstens een marginale invloed (≤10–15%).
Wat is de rol van Lp(a) in cardiovasculaire aandoeningen?
Epidemiologische en genetische studies tonen ondubbelzinnig aan dat verhoogde Lp(a)-waarden geassocieerd zijn met een verhoogd risico op atherosclerotische cardiovasculaire aandoeningen (ASCVD) en aortaklepstenose. Deze relatie is continu: hoe hoger de Lp(a)-waarde, hoe groter het risico. Vooral myocardinfarct en aortaklepstenose vertonen sterke associaties met hoge Lp(a)-waarden.
Lp(a) heeft Pro-atherogene, Pro-inflammatoire en Pro-trombogene eigenschappen:
- Apo(a) is structureel verwant aan plasminogeen maar functioneel inactief, wat fibrinolyse remt.
- Het deeltje transporteert geoxideerde fosfolipiden (OxPLs) die ontstekingsreacties en calcificatie in de vaatwand en aortaklep bevorderen.
- Het induceert endotheeldisfunctie en macrofagen-activatie, wat de vorming van instabiele plaques versnelt.

Interpretatie van Lp(a)-waarden
Cut-off waarden
De relatie tussen Lp(a) en cardiovasculair risico is lineair zonder drempel, maar consensus-aanbevelingen stellen volgende waarden voor als klinische referentiepunten. Het risico van een hoog Lp(a)-gehalte neemt licht toe bij waarden van 75 nmol/L tot 105 nmol/L en wordt klinisch relevant bij waarden boven 105 nmol/L, waarbij hogere waarden gepaard gaan met een grotere toename van het cardiovasculaire risico.
Eenheid en standaardisatie
Lp(a) kan worden gemeten in massaeenheden (mg/dL) of molaire eenheden (nmol/L). Het aantal deeltjes geeft het cardiovasculair risico weer, waardoor de meting in molaire eenheden correcte risicostratificatie weergeeft.

- Chronische leverziekte door verminderde productie in de lever
- Acute inflammatie: ernstig en levensbedreigend
- Hyperthyreoïdie
Veranderingen in levensstijl (dieet, lichaamsbeweging, …) hebben minimaal effect op Lp(a)-spiegels.
- Chronische nierziekte, hepatische compensatie als reactie op proteïne verlies via de nier, vooral in het eindstadium of dialysepatiënten
- Hypothyreoïdie, door verstoorde lipidenmetabolisme
- Menopauze, beïnvloed door hormoonvervanging
- Zwangerschap
- Acute en Chronische inflammatie, literatuur uiteenlopend, zwak positief verband met biomarkers van ontsteking

Familieleden van personen met verhoogde Lp(a)-waarden hebben een grotere kans om ook verhoogde waarden te hebben, waarbij genetica de belangrijkste determinant is, verantwoordelijk voor 75-95% van de variabiliteit.
Waarom is het belangrijk om Lp(a) te meten?
Lp(a) is een onafhankelijke genetische risicofactor voor ASCVD. De recente EAS-consensus (2022) en de ESC/EAS-richtlijnenupdate (2025) bevelen aan:
Iedere volwassene moet minstens één keer in het leven getest worden op Lp(a).
Redenen om te meten:
- Identificatie van erfelijk verhoogd risico Lp(a) is een onafhankelijke erfelijke cardiovasculair risicofactor. Een verhoogde waarde bij één familielid rechtvaardigt cascade-screening bij eerstegraadsverwanten.
- Aanpassing van de globale risico-inschatting Klassieke risicocalculatoren (zoals SCORE2) houden geen rekening met Lp(a).
De Lp(a) Risk Calculator (www.lpaclinicalguidance.com) toont dat het levenslang risico op myocardinfarct of CVA vaak sterk onderschat wordt bij patiënten met hoge Lp(a)-waarden.
- Motivatie voor intensievere preventie Kennis van een verhoogde Lp(a) kan zowel arts als patiënt aansporen om vroeg en krachtig in te grijpen op andere risicofactoren (LDL-C, bloeddruk, rookgedrag, gewicht, glycemie).
- Klinische relevantie bij familiaire hypercholesterolemie (FH) – Lp(a) kan de fenotypische expressie van FH verergeren en verklaart soms residueel risico ondanks optimale LDL-verlaging.
Wat te doen bij verhoogde Lp(a)? Management en behandeling
Hoewel momenteel specifieke Lp(a) verlagende therapieën nog in fase II–III klinische studies geëvalueerd worden, is intensieve behandeling van andere risicofactoren essentieel.

Nieuwe RNA-gebaseerde therapieën zoals antisense oligonucleotiden en siRNA zijn in ontwikkeling en tonen veelbelovende resultaten in het verlagen van Lp(a) met meer dan 80%.
Volgens de EAS-consensus en ESC/EAS-richtlijnen (2025) geldt: “Behandel alles wat wél behandelbaar is.”
- LDL-cholesterol: streef naar zo laag mogelijk.
- Gebruik krachtige combinaties: hoge dosis statine + ezetimibe; eventueel PCSK9-remmer (die Lp(a) met 15-30% verlaagt).
- Bloeddruk, glycemie en leefstijl: agressieve optimalisatie.
- Rookstop en gewichtsstabilisatie zijn essentieel.
Observatiestudies tonen aan dat patiënten met hoge Lp(a) maar een gezonde leefstijl een één-tot-tweemaal lager risico op een cardiovasculair event hebben, dan vergelijkbare patiënten met een ongezonde leefstijl.
Conclusie
Lp(a) is een belangrijke, onafhankelijke, genetische risicofactor voor cardiovasculaire aandoeningen. “Once in a lifetime”-meting van Lp(a) wordt aanbevolen voor een correcte risicobeoordeling. Huisartsen spelen een sleutelrol in het identificeren van patiënten met verhoogde Lp(a) en het initiëren van passende preventieve maatregelen.
